Een preek van Ds. Gerkema
Onderwerp door Inge Germeraad
In de afgelopen maand sprak ik een paar mensen, bij wie het geloof de laatste jaren is weggeëbd. In die gesprekken trof me dat wel twee of drie van hen zeiden: ik mis het niet, de kerk niet en het geloof ook niet.
En een van hen zie het zelfs nog sterker. Hij zei: het afscheid van het geloof heeft me rust gegeven.
Dat zijn opmerkingen, die bij me zijn blijven haken. “Ik mis het niet” en “het geeft me zelfs opluchting”.
Vandaar het thema van deze dienst: geeft ongeloof rust?
Dat vraagje suggereert in feite het tegendeel van wat Jezus ergens zegt, als Hij de mensen ruimhartig uitnodigt met de woorden: “kont allen tot Mij die vermoeid en belast zijn en ik zal u rust geven”.
En ook als je in de bijbel eens bij het begin en eind openslaat. We lazen uit Genesis 2 over de rust, waarin God rust vond van het werk dat Hij gedaan had. Dat is ongetwijfeld een hele rijke, gevulde rust geweest, waarin God ook zijn schepping (de mensen voorop) wilde laten delen. En ik denk ook, dat God daarmee bezig is tot op vandaag toe, ook dwars door de grote verstoring van Genesis 3 heen.
Zodra je aan het eind van de bijbel leest over een situatie van grote vrede, als het uiteindelijke doel van God bereikt is. Dat is een hoofdlijn in de bijbel, een regenboog, die loopt van het begin naar het eind van de bijbel.
En dat hartelijke woord van Jezus, waarmee ik begon, heeft een centrale plaats in dat grote project. In Hem zie je op zijn scherpst wat Gods bedoelingen met mens en wereld zijn. Als je Hem hoort zeggen: komt allen tot Mij en ik zal u rust geven.
God, die bezig is om rust te brengen. Je hoort het bij de entree van Jezus in deze wereld: “Ere zij God in de hemel, vrede op aarde bij mensen van Gods welbehagen”.
Hoe kan het dan gebeuren, dat je iemand het volstrekte tegendeel hoort zeggen: ik vind rust nu ik God en geloof achter me heb gelaten”. Dat is toch het schokkende negatiefje van het evangelie en het leek me goed om daar vanmiddag nog iets meer aandacht aan te geven.
Hoe kan het?
Ik dacht om te beginnen: misschien ligt een deel van de oorzaak in een zekere verkramping in de omgang met de bijbel of in verhouding met God.
Neem de eerste, een verkrampte omgang met de bijbelse boodschap. Ik dacht aan een eenzijdige lezing van de bijbel, waarbij je helemaal in de gebodskant van het evangelie komt vast te zitten. Zodat je bij je lezing van de bijbel in bijna elke zin een gebod of een regel horen. “Hieraan gehoorzamen”, ‘daaraan voldoen”. Met als gevolg dat het evangelie in de sfeer van het ‘moeten’ komt te hangen. Het wordt moeten en nog eens moeten.
En je blijft natuurlijk achter bij die bijbelse idealen. Om klein en machteloos van te worden! Met alle schuldgevoelens van dien, elke keer als je merkt: het lukt me niet om christen uit een stuk te leven. Geloof ik wel goed? Doe ik wel genoeg aan mijn geloof? Wat kun je je dubbel voelen, omdat je zoveel meer suggereert dan er in werkelijkheid zit. En zo tol je rond met een evangelie, waarin je steeds maar weer dat moeten hoort.
Je ziet het in Jezus dagen. De Farizeeën gaan met de boodschap van God die doenerige kant op en bijten zich vast in de gebodskant van de bijbel, goedbedoeld, ongetwijfeld. En zo houden het zo ook anderen voor in een poging om het evangelie door te trekken tot in de uithoeken van ieders leven. Maar het werd zodoende toch wel erg wettisch van kleur. Zo sterk dat daardoor God op afstand raakte en de mensen het idee kregen dat ze alleen maar met richtlijnen en geboden in de weer waren.
En die arme mensen werden, als ze vermoeid afhaakten, ook nog eens afgedaan als “de schare die de wet niet kent”. En dat is eigenlijk wel heel typerend gezegd. Niet: ‘de schare die God niet kent”, maar de bijbel (die er wel is!) het een en het al is geworden in de ogen van sommige van Jezus’ tijdgenoten.
In ieder geval was de bijbel niet meer wat het zo graag wil zijn: de loopplank naar God. Het evangelie was geworden tot regel en gebod, met diepe eenzaamheid tot gevolg.
Als je in zo’n verkramping met de bijbel omgaat dan is de bijbel een uiterst vermoeiend en deprimerend boek.
Kan het zijn dat degenen onder ons, die met een zucht van verlichting het evangelie dichtsloegen, in zo’n soort verkrampte omgang met de bijbel terecht zijn gekomen. En misschien herken je zelf ook wel iets of zelfs veel van die omgang.
Een andere vorm van verkramping van het geloof sluit aan bij wat ik zoeven zei. Maar het is tegelijk toch ook weer echt anders dan dat je in de bijbel zo bij die gebodskant blijkt zitten.
Ik bedoel nu het schrijnende gevoel, dat God zo op afstand blijft, zo verontrustend weinig ervaarbaar is.
Er is in elke tijd, zo schat ik in, verlangen om Gods nabijheid te ervaren. Maar ik denk dat het in deze tijd heel sterk is. Die nadruk op willen ervaren. Ik weet ook, dat er onder ons zijn, die daar hartstochtelijk naar zoeken. Zoeken naar zo’n piekervaring, zo’n diep gevoelen, de warmte van God, die je omgeeft van voren en van achteren (psalm 139). Een hand, die je op je schouder voelt, zodat je door en door verzekerd bent dat God er is.
Met dat verlangen is niets mis, maar de verkramping en de teleurstelling liggen wel als een belager aan de deur.
Ik weet van sommigen, die op dat punt teleurgesteld zijn geraakt in God en moe van het zoeken hun geloof hebben opgegeven. Een van degenen, die ik sprak ging deze weg. En vond rust, omdat hij nu tenminste af was van dat onrustige zoeken naar Gods aanwezigheid, zonder die te vinden.
Twee keer iets verkrampts. Het ene in de omgang met de bijbel, het andere in de verhouding met God. Beide moe-makend. En ik denk dat ieder ons de verleiding meevoelt om dan de rust van het ongeloof te zoeken.
Maar hier aangekomen, wil ik toch de vraag stellen: is het werkelijke rust, die je dan in je ongeloof vindt. Omdat je een doenerig geloof en een God die veel van je eist achter je hebt gelaten. Of omdat je je zoektocht naar een God op afstand of een voor je gevoel afwezige God hebt opgegeven.
Ik kan het eigenlijk niet geloven. Omdat er in onze wereld en in ons menszijn zoveel is, dat ons onrustig maakt en om antwoorden vraagt.
Ik noem als eerste een goedmoedige onruststoker. Want zo ervaar ik de schepping, die in al zijn veelvormigheid en kleurenrijkdom in feite een grote vraag is. Want vanwaar is dit alles, de bloemen, de vogels, de mens?
Ja, waarom ben ik er eigenlijk? Ik, zoals ik ben. Zo persoonlijk, een mens van liefde en haat, vreugde en verdriet.
En heeft mijn leven wel een doel?
Natuurlijk kun je een tijdje je kop in het zand steken voor zulke vragen. Zo voor je uit schuiven, ze verdringen. Maar vroeg of laat zijn ze niet te ontwijken. De vragen van de schepping, de grote vraag wie je zelf bent en wat de zin is van je leven.
Ik denk dat die vragen zorgen voor onrust.
Maar de grootste onruststoker in je leven is dat zeker niet.
Dan denk ik aan veel kwaadaardiger onruststokers, zoals de dood, het lijden.
Als je dat eens op jezelf betrekt.
Soms realiseer je je met een schok: ik ben eindig. Van de volgende eeuw zal ik met zekerheid een eind niet meemaken.
Zeg je dan heel soepel er achteraan: nou, so what?
Of geeft die gedachte je toch onrust. De dood, waar misschien wel bitter lijden vooraf gaat. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat een mens daar rustig onder blijft. En vooruitschuiven helpt ook niet echt, want diep in je hart weet je dat de dood vroeg of laat hardhandig de deur van je leven forceert.
En dan heb ik het nog niet eens over de donkere hoeken van je leven, waar je niet echt klaar mee komt. Persoonlijke zonde, falen, dat je achtervolgt, schuldgevoelens over wat je hebt gedaan. Ook dat kan een bron van onrust zijn.
Maar daarmee heb je het niet gehad.
Want er is zoveel dat vanuit de wereld om ons heen op ons afkomt. De aarde is in allerlei opzichten zo scheef komen te hangen en wat er tussen de mensen onderling veel ontwricht.
Als je je dan in feite je leven beperkt tot je eigen erfje. En daar de rust zoekt van het eigen comfort en geluk. Kun je dat maken?
Moet je als mens niet reageren als je wordt geconfronteerd met immens lijden, waaronder onze wereld gebukt gaat. De schepping zucht, zegt Paulus (Romeinen 8).
En wat doe je tegenover het diepe onrecht, wat vaak achter het lijden van miljoenen zit. De vuisten van Stalin, Hitler, Pol Pot, Idi Amin, en ga zo maar door.
Maar ook in het klein. De man in je straat, die zijn vrouw mishandelt of zijn kinderen misbruikt.
Kun je het maken om in z0’n wereld het isolement te zoeken in een leven van schijnbare rust?
Als je de deur van je ziel werkelijk eens open zou zetten om het leed te peilen, dat in een journaal tot je komt. Waar blijf je dan?
Juist ook als mens zonder God, maar met journaal en krant. Maakt dat niet vreselijk machteloos, en onrustig? Ben je in staat om de berg schuldgevoelens, die dan weer onder het tapijt te schuiven?
Ja, hoe ga jij daar dan mee om, zonder God en geloof. Dat is mijn vraag aan ieder, die zegt in zijn of haar ongeloof rust te hebben gevonden.
Wat is het alternatief?
Je kunt jezelf verdoven tegen het vreselijke lijden en onrecht in de wereld. Met bijvoorbeeld de luxe en welvaart, die ons ten deel valt, kom je een heel eind.
Wie weet, zo dacht ik toen ik hier was aangekomen, misschien dat zelfs Karl Marx vandaag aan de dag die luxe ook wel als de opium van het volk zou willen typeren. I.p.v. de godsdienst. Of luxe en godsdienst voor mijn part.
Maar vooruitschuiven of verdoven (geholpen door de welvaart), je redt het niet, want daarvoor zijn dood en zonde, lijden en onrecht te machtige onruststokers.
En mijn vraag aan degenen, die God en geloof met een zucht van verlichting achter zich gelaten hebben, zou dan ook zijn: heb je in je ongeloof werkelijk rust gevonden, vrede.
Hoeveel heb je in huis tegen de onruststokers, de goedaardige, maar ook de kwaadaardige?
Of is je rust in ongeloof ten diepste de rust van de kop in het zand. Zodat je even doet alsof die onruststokers er niet zijn. In de trant van: als je het niet ziet, deert het je niet. Zoals je soms iemand een drukke verkeersweg ziet oversteken. Het hoofd afgewend met een blik: ze zullen wel stoppen!
Ik heb de rust gevonden … in mijn ongeloof…..
Geeft ongeloof werkelijk rust?
Of ruil je een beperkte onrust, die het evangelie met zich meebrengt, in voor een van veel grotere omvang, gewekt door bijvoorbeeld een journaal. Waar je dan, in ongeloof, volkomen in je eentje tegenaan moet?
Op zulke momenten klopt het evangelie aan en gaat in op die diepe onrust in onze werkelijkheid.
Van wege een schepping die om antwoord vraagt, maar vooral vanwege het lijden, het onrecht en de dood, dichtbij en veraf.
God is bezig met vrede te brengen op aarde. Zoals de engelen zongen bij Jezus. Vrede, dat is ook rust, maar dan met een geheven hoofd en niet met de kop in het zand.
Als je de verleiding voelt om niet langer mee te vechten in het gevecht met God om deze wereld. Dan kan ik me het gevoel van een zekere opluchting goed voorstellen. En helemaal als je afscheid hebt genomen van een verkrampte omgang met het evangelie of je moeizame zoektocht naar een ervaring van Gods nabijheid hebt gestaakt.
Maar mijn vraag is dan wel: is die rust geen schijn, omdat je leeft temidden van de vijanden, dat de bijbel juist als de vijanden ontmaskert: dood en zonde. Valt daar werkelijk mee te leven, of is je rust met de vijanden van dat formaat in feite inbeelding. Een vernislaag waaronder de werkelijke onrust van je ziel niet tot zwijgen komt.
Kun je er werkelijk vrede mee hebben? En vrede is toch iets als rust met opgeheven hoofd?
Het evangelie getuigt van het grote gevecht, dat je zo intens voor ogen krijgt in Jezus, die juist door lijden en dood en onrecht heen heeft waargemaakt wat Hij eerder zei: ik zal u rust geven.
En laat ik afsluiten met het woord van Augustinus, waarvan ik werkelijk geloof dat het de waarheid is: Ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U o God.
Amen.
Mogelijke vragen:
1. Ken jij mensen die het geloof achter zich hebben gelaten? Wat waren hun redenen daarvoor?
2. Ervaar jij het geloof als rust of onrust? Waarom?
3. Is er een verschil in het geloven van onze generaties en die van onze ouders? Welk?
4. De zondag wordt ook wel ‘rustdag’ genoemd, wat houdt die rust in?